Ruggenteelten zijn van nature erosiegevoelig. Water kan zich tussen de ruggen concentreren en versneld afstromen, waarbij het bodemdeeltjes, nutriënten en gewasbeschermingsproducten meesleurt. Dit leidt tot verlies van vruchtbare bodem, lagere opbrengsten en een slechtere waterkwaliteit. Vooral in het voorjaar, wanneer akkers nog onbedekt zijn, en in heuvelachtige gebieden is het risico op erosie groot.
Wanneer zijn drempels verplicht?
Drempels vertragen de waterafvoer. Het zijn kleine dammetjes van ongeveer tien tot 15 cm hoog die om de 0,75 tot 1,5 meter worden aangelegd. Daardoor krijgt water meer tijd om in de bodem te infiltreren, wat zowel de bodemkwaliteit als de beschikbaarheid van water voor de teelt ten goede komt. Om die reden worden drempels beschouwd als een goede landbouwpraktijk.
De verplichting om drempels aan te leggen, hangt af van zowel de teelt als de erosiegevoeligheid van het perceel. Bij de teelt van aardappelen zijn sinds 2015 drempels verplicht op zeer hoog erosiegevoelige percelen (paarse percelen). Sinds 2016 is er die plicht op hoog erosiegevoelige percelen (rode percelen). In de biologische aardappelteelt mogen schoffelen en wieden als alternatief worden toegepast. Bij andere ruggenteelten geldt op percelen met een hoge of zeer hoge erosiegevoeligheid ook een verplichting. Landbouwers kunnen daar kiezen tussen het aanleggen van drempels of het toepassen van een diepe tandbewerking.